|

Klaasje
Het is rustig in het verpleeghuis. In de verte klinkt een radio en bij de receptie staan twee verpleegsters zachtjes met elkaar te praten. Mijn voetstappen weerkaatsen in de gang als ik naar huiskamer 7 loop.
Door het raampje naast de deur kijk ik naar binnen. De meeste bewoners zitten aan de grote tafel. Mevrouw A. heeft twee breinaalden op schoot, op tafel ligt een bol wol. Ze is al maanden bezig een sok te breien, maar verder dan de paar steken die haar dochter heeft opgezet is ze niet gekomen. Af en toe tikt ze de naalden tegen elkaar zonder de juiste bewegingen te maken. Tegenover haar zit meneer M. Hij slaapt het grootste deel van de dag en ook vandaag hangt zijn hoofd weer naar beneden. Z’n dikke buik beweegt ritmisch mee op de knorrende snurkgeluiden. Een straaltje speeksel loopt langs zijn kin. ‘Goedemiddag!’ roep ik terwijl ik naar binnen loop. Een paar bewoners geven antwoord, de rest tuurt wat voor zich uit.
Voor het raam van de binnentuin zit beppe. Ze staart naar de vogels die zich te goed doen aan de vetbollen en pinda’s. Haar ogen volgen geconcentreerd de bewegingen. Als ik haar aanraak schrikt ze. Ze kijkt op, een scheve glimlach trekt over haar gezicht. Na de hersenbloeding is ze halfzijdig verlamd geraakt. ‘Dag leave’ mompelt ze. Ze tuit haar lippen om me een zoen te geven en pakt met één hand mijn arm vast. Haar andere hand ligt stil en bleekjes op het werkblad van haar rolstoel. Ik pak een krukje en ga naast haar zitten.
‘Hoe gaat het bij de fysiotherapie?’ vraag ik haar. ‘Goed wel’ zegt ze en plukt aan de slappe vingers van haar rechterhand. ‘Oefen je veel?’ ‘Och ja, ik doe mijn best’ zegt ze. ‘Krijg je veel oefeningen voor je hand?’ probeer ik nog eens. Haar ogen flitsen even naar haar hand, dan kijkt ze me aan. ‘Die hand, nou die ken ik niet! Soms word ik wakker en denk ik wat ligt daar naast me? Het is net alsof hij niet bij mijn lichaam hoort.’ Ze probeert hem op te tillen. ‘Hij is zo zwaar! Er is geen beweging in te krijgen!’ Samen staren we naar de hand.
‘Ik noem hem Klaasje’ zegt beppe. ‘Voor mij is die hand net zo dood als pake Klaas, maar op deze manier kan ik toch nog eens tegen hem praten.’ Ze aait haar hand en kijkt naar buiten. Ik schrik van wat ze zegt. Voorzichtig gluur ik naar de levenloze hand en denk na over de vergelijking met mijn overleden pake. Dat Georgina Verbaan haar borsten ‘Harry’s’ noemt vind ik grappig, over het woord ‘adamsappel’ denk ik niet eens meer na. Waarom zou deze vergelijking dan gek zijn?
‘Goed’, zeg ik terwijl we op weg gaan naar het restaurant, ‘zullen we dan maar bitterballen voor jou, mij en Klaasje bestellen?’
Rianca de Boer
(N.B: pake en beppe zijn Fries voor opa en oma)
 |